Afgelopen week bezocht ik dit stukje Frankrijk dat in misère lijkt te zijn, en waar verval en neerslachtigheid twee symbolen zijn voor de algemene stemming waarin de regio verkeert. Waar de binnenstad van Lille (culturele hoofdstad van Europa in 2004) nog veel toeristen weet aan te trekken vanwege de prachtige bouwstijl van de gebouwen en de gemoedelijke pleintjes, vermijd men de steden die aan Lille zijn vastgeplakt structureel. Redenen die men hiervoor aanvoert : criminaliteit en somberheid. Plaatsen als Roubaix, Tourcoing en Villeneuve D’Asq staan bij sommige buitenlanders al niet goed bekend, maar in Frankrijk spreekt men over “het gebied van de alcoholisten en de pedofielen”. Nou is dit beeld wel iets veranderd sinds de film “Bienvenue chez les Ch’tis” de Fransen warm heeft gemaakt voor de Noord-Franse, liefelijke cultuur, de cijfers en het werkelijke beeld in de straten liegen nooit.

De eerste avond valt gelijk op dat er veel politie op straat is in Tourcoing, de “banlieu” (buitenwijk) van Lille. Niet verwonderlijk ook, met criminaliteitscijfers die niet onderdoen voor die van de “gevreesde” voorsteden van Parijs. Ook in het hotel waar wij verblijven, komt er politie langs. Ik heb geen idee waarom, maar tekenend is het wel. Bij de plaatselijke Quick (soort McDonalds) : politie. Lopend richting de geldautomaat : een politie-auto die voorbij rijdt. Ook in de supermarkt word je gevolgd en in de gaten gehouden door de “waakhonden” van de beveiliging, schijnbaar vanwege het feit dat er regelmatig figuren langskomen met wat te losse handjes.

De volgende dag is het tijd om het centrum van Tourcoing eens in te gaan. De eerste woorden die hierbij in mij opkomen zijn : vergane glorie. Het stadhuis uit 1885, het vroegere gebouw van de Kamer van Koophandel en het plein met fontein midden in de stad mogen dan voor de “normale” toerist nog het bezoeken waard zijn, ik ben gekomen voor de vervallen fabrieken, uit een tijd die ver achter ons ligt. Een “rijk industrieel verleden” heeft Tourcoing, zo valt te lezen op de website van de gemeente. Inderdaad : het woord verleden is hier wel van toepassing. De eerste fabriek waar we tegenaan lopen, stamt uit 1911. Dit enorme gebouw doemt al vanuit woonwijken in de verte op. De fabriek blijkt van de firma JDF,“Jules Desurmont et fils” te zijn geweest. Net als zoveel fabrieken in het noorden van Frankrijk, was de firma actief in de textielindustrie. Rondom de fabriek zijn de typische arbeiderswoningen gelegen, waarin de mensen die in de fabriek werkten konden wonen. De bouw moest natuurlijk zo goedkoop en efficiënt mogelijk geschieden. De huizen zijn dan ook altijd in rijtjes opgesteld, slechts door een smalle stoep gescheiden van de doorgaande weg en (vrijwel) altijd zonder tuin.

Vroeger was dit natuurlijk al heel wat voor de mensen : werk en huisvesting. Maar sinds de industrie in verval raakte, is er niets meer aan deze huizen gedaan. Deze geschiedenis van verval begint eigenlijk al voor de Tweede Wereldoorlog, maar de werkelijke ineenstorting vond plaats rond de jaren 70 en 80 van de 20e eeuw. Een crisis in de textielindustrie en de metaalindustrie, maar ook in de steenkoolindustrie zorgden toen voor een groot verval in de regio rondom Lille. Fabrieken kwamen leeg te staan, veel bedrijven gingen failliet en er was sprake van hoge werkloosheid. Hier lijkt de regio rondom Lille sindsdien niet meer uit te zijn gekomen. In 1999 lag de werkloosheid in bepaalde delen van Roubaix bijvoorbeeld boven de 30% : enorm hoog voor West-Europese begrippen.

Ook nu valt mij in Tourcoing weer op dat deze regio nog steeds zucht onder het verleden. In de straten staan overal opvallend veel auto’s, maar in de buurt van die auto’s is geen bedrijf te bekennen, op de leegstaande fabrieken na natuurlijk. Ook op straat is het overdag druk, met opvallend veel mensen die geen aanstalten lijken te gaan maken om hun werk te bezoeken.

Maar wat nog het meest opvalt, is de algemene sfeer op straat. Naast kuilen in de wegen en slecht aangelegde stoepen, stuit ik op stinkende riolen, dode ratten op straat, veel afval dat overal rondslingert, nauwe straten, weinig groen en dichtgemetselde ramen. De dichtgemetselde ramen ontgaan mij nogal. Bij één huis is zelfs de deur dichtgemetseld. Ik kan nergens een andere deur bekennen. Woont hier nog wel iemand? En hoe komt diegene in hemelsnaam binnen? En waarom zou je toch een deur dichtmetselen? Als iemand antwoorden heeft, dan mag diegene mij contacteren. Mij ontgaat de lol van ramen/deuren dichtmetselen namelijk nogal.

Misschien is het ‘t ontbreken van groen wat mij somber stemt over deze regio, misschien zijn het de nauwe straten, misschien de mensen. Alhoewel de mensen nog wel meevallen. De meesten willen mij vriendelijk te woord staan, op één jongen met zijn kindje na die mij straal voorbij loopt als ik hem de weg vraag.

Misschien is het ook wel de sloppenwijk bij het spoor, want zo kan ik het wel noemen. Vele geïmproviseerde hutjes en caravans waar mensen leven. Wat dat betreft doet het niet onder voor delen van Parijs, waar je dit trieste beeld ook aantreft. Zal de regio van Lille ooit uit deze somberte geraken? Volgens henzelf in ieder geval wel. Het begin is al gemaakt : het centrum van Tourcoing wordt deels gerenoveerd. Het begin van iets moois? De tijd zal het leren. En vergeet niet : het mag buiten dan grijs zijn in het noorden, in het hart van een ch’ti (noorderling uit Picardië) is het altijd warm.  Tourcoing : vervallen fabriek, het hotel en een willekeurige straat met typerende arbeiderswoningen  Tourcoing : vervallen fabriek, het hotel en een willekeurige straat met typerende arbeiderswoningen  Tourcoing : vervallen fabriek, het hotel en een willekeurige straat met typerende arbeiderswoningen  Tourcoing : vervallen fabriek, het hotel en een willekeurige straat met typerende arbeiderswoningen