Nog een eeuw eerder kende Groningen tijden van grote rijkdom. 'Grote boeren' bezaten kolossale boerderijen en hadden eindeloze stukken land om te bebouwen. Om al dat werk te kunnen verrichten, hadden zij veel knechten in dienst. Die knechten woonden in kleine huizen in de buurt van de boer waar zij vaak generaties lang in dienst bleven. Nu arbeiders onbetaalbaar zijn geworden, veel werk door mechanisatie is verdwenen, lijkt het Groningse land nog leger te worden. Geen arbeiders, werkend op het land. Geen grote Belgische trekpaarden, zwoegend in een poging de horizon te naderen.

Op de boeren na, wonend in originele of juist moderne boerderijen, lijkt het land uitgestorven. In de gemeente De Marne, een samenvoeging van 34 kernen, zou elk willekeurig dorp kunnen besluiten een openluchtmuseum te worden. Winkels zijn gesloten, huizen staan leeg en scholen zijn dicht. Deze dorpen zijn vaak gebouwd op door mensen gevormde heuvels, wierden, waar zij zich veilig voelden voor de dreigende zee. Nu, eeuwen later, hebben verschillende ringen van dijken deze beschermende rol overgenomen.

Rondom het Lauwersmeer heeft Staatsbosbeheer grote natuurgebieden gecreëerd. Deze door mensen gemaakte wildernis wordt verstoord door enorme oefenbanen van de landmacht. De Marne, waar ik me enkele dagen bevond, is een gebied opzoek naar een nieuw bestaan. Ontvolking en vergrijzing, maar ook weidse landschappen, creatievelingen met kunstzinnige ateliers, toerisme, rust en leegte. Deze leegte tergt de één, maar wordt door de ander bejubeld. Hoe het ook zij, het werd bezongen, door Ede Staal.